Verdwalen als trainingsvorm. De beste training stond niet op mijn schema.

Bert Flier schrijft voor Trikipedia over drie thema’s: Met het mes tussen de tanden | Nerd talk | Tussen de oren

Mentale processen

 

Kan je wel of niet met de fiets door de tunnel van Terneuzen?
Het antwoord op die vraag bepaalt of mijn rit vandaag vijftig kilometer langer of korter wordt.

Opzoeken op mijn telefoon gaat niet. Want die heb ik – expres – thuisgelaten. Net als mijn fietscomputer. Vandaag rijd ik analoog. Vanuit Brussel terug naar Barendrecht. Op gevoel. Op zon, maan en sterren, en op mijn beperkte topografische kennis van België.

Het idee ontstond toen een goede vriend vertelde dat hij wekelijks een zakelijke afspraak had op een uur of twee rijden. Grofweg tweehonderd kilometer. Ik was aan het trainen voor Almere en was de plaatselijke rondjes zat.
Aldus stap ik om zeven uur ’s ochtends in de auto, op weg naar Brussel.

Het voelt als een soort dropping wanneer ik op een willekeurige parking mijn wielen in de fiets zet en begin aan een rit waarvan ik niet weet hoe lang-ie zal zijn. Mijn plan is Brussel-centrum te ontwijken, maar ik slaag er toch in dwars door de stad te rijden. De stoplichten zijn niet te tellen. Eenmaal Brussel uit stuur ik naar het noorden, richting Antwerpen.

Ik laveer over bochtige bospaden en koers langs lange, rechte kanalen. Passeer plaatsen die me nieuwsgierig maken. Naar de etymologie, het verhaal erachter. Verbrande Brug. Eppegem. Zemst. Fort van Walem. Romeinse Put.

De zakken van mijn fietsshirt puilen uit van een calorie of drieduizend aan sportvoeding. Veel te weinig natuurlijk, maar dat heb ik expres zo gepland. Het geeft me een goed excuus voor een aantal stops bij artisanale bakkers, waar ik me tegoed doe aan verse puddingbroodjes en appelvlaaien.

En zo beland ik in de omstreken van Antwerpen. Bij een bordje moet ik kiezen: links – Terneuzen, of rechts – Roosendaal. De benen voelen goed en ik heb eigenlijk wel zin om over Zeeland terug te rijden. Maar ergens in mijn achterhoofd fluistert een stemmetje dat die tunnel alleen voor auto’s is.

Een kilometer of twintig later vraag ik het aan toevallige passanten. ‘Niet voor fietsers, meneer,’ is hun antwoord.

En zo maak ik een honderdtachtig-gradenbocht en fiets dezelfde route weer terug. Part of the deal.

Vanaf de grens bij Antwerpen kom ik op bekend terrein. De notie van tijd is me inmiddels ontglipt. Ik fiets – en verder niets. Bij een bordje ‘Rotterdam – 50 kilometer’ denk ik: bijna thuis. Dat is wat dit soort ritten met je doen. Ze relativeren tijd en afstand.

Rond 18 uur, met 230 kilometer op de teller, rijd ik thuis het erf op. Precies op tijd voor het avondeten. Ik voel me eigenlijk best wel fris. Sterker nog: ik heb zin om te zwemmen. Waarom ook niet?

En zo lig ik een uur later in het water. Met het inzwemmen voel ik meteen dat ik vandaag goede armen heb. Omdat je het ijzer moet smeden wanneer het heet is, besluit ik mijn Ironman-kerntraining zwemmen van deze week te doen. 40×100, start elke 1.30.

 

Beste training niet op schema

Tot mijn verbazing zwem ik ze allemaal in 1.15. Voor mijn zwemniveau achterlijk goed. Twintig jaar later, nu ik deze column schrijf, durf ik te zeggen: dat was mijn beste zwemtraining ooit.

En dat na 230 kilometer fietsen. Misschien was die training wel zo goed omdat-ie niet gepland was. Ik had niets geforceerd die dag en liet het gewoon gebeuren.

De beste training stond niet op mijn schema.