

Ik kwam die vraag tegen in een artikel over krachttraining. De schrijver maakte korte metten met de term beyond failure.
Bert Flier schrijft voor Trikipedia over drie onderwerpen: Tussen de oren | Nerd talk | Met het mes tussen de tanden
Failure betekent dat je een herhaling niet meer kunt uitvoeren. Als iemand je daarna helpt, het gewicht verlaagt of even rust neemt, heb je de regels veranderd. Nieuwe opdracht. Nieuwe grens.
Interessanter vond ik een andere constatering: voordat je een grens kunt passeren, moet je weten waar hij ligt. Daar zijn we niet zo goed in. Tijdens een maximale inspanningstest hoor ik regelmatig: Ik kan niet meer. En dan zeg ik: jawel hoor. Om er de woorden van Gerrie Knetemann aan toe te voegen: Gun het jezelf om pijn te lijden.
Vaak bedoelen we namelijk: Ik wil niet meer. Of: Dit doet wel heel erg veel pijn. En da’s wat anders dan: Ik kan niet meer.
Ik kan me één wedstrijd herinneren waarin ik besloot mijn grens op te zoeken. Almere 2007.
Drie opties
Na een top zwemonderdeel — vierde op dertig seconden van de kop — en 180 kilometer fietsen begon ik aan de marathon, op een paar minuten achterstand.
Die begon beroerd. Als een gewonde soldaat liep ik de eerste vijf kilometer. Hopend op betere tijden.

En zowaar: die kwamen. Na tien kilometer liep ik weer als een zonnetje. Ik schoof op naar de derde plaats. ‘Vandaag kan je Almere winnen, Bertje’, ging het door mijn hoofd.
Na 25 kilometer begon het overal zeer te doen. Maar de echte test moest nog komen. Lege glycogeenreserves. Kramp. De grootste vijand: een geest die murw wordt. Het punt waarop de strijd met de anderen secundair wordt aan de strijd tegen jezelf.
Ik zette drie opties op een rij.
Optie één: langzamer lopen, minder pijn, een mindere plek accepteren. Die wees ik gelijk van de hand.
Optie twee: dit tempo vasthouden en hopen dat de rest moest inleveren. De wijze optie. Maar die had ik vaker gekozen. Zoals tijdens de halve marathon van Oostvoorne een paar jaar ervoor. Na tien kilometer kwam ik door in 33.30 en de sub-1.10 lag voor het grijpen. Ik koos voor ‘comfortabel hard’. Eindtijd: 1.10 en een beetje. Daarna kwam telkens de knagende vraag terug: wat als?
Optie drie: versnellen. Met alle risico’s van dien. Uitvinden of de geest sterker is dan het lichaam. De absolute grens opzoeken.
Ik zag er vreselijk tegenop dat gebied te betreden. Tussen kilometer 25 en 30 durfde ik nog geen beslissing te nemen.
Op kilometer 30 koos ik. Optie drie. De dood of de gladiolen. Misschien zou ik winnen. Misschien instorten. Een empirische vraag. Eentje die je alleen kan beantwoorden door het te doen.
Op zoek naar de grens
Op kilometer dertig versnelde ik van 4.20 naar 4.10 per kilometer. Het gat met Chris Brands, die derde overall en eerste op het NK liep, werd kleiner. Kilometer 31: weer 4.10.
Herman Vrijhof vertelde dat de mannen voor mij er slecht bijliepen. ‘Eenenveertig minuten op de laatste tien kilometer en je wint ’m!’ Ik bleef pushen. Krampscheuten in beide kuiten. Kwestie van net wat anders landen en afwikkelen. Eromheen lopen.
Ook kilometer 32 ging in 4.10.
Een paar honderd meter later boog mijn lichaam voor mijn geest.
Alsof er vier ijzeren klauwen in beide onder- en bovenbenen werden gezet, zo hard sloeg de kramp toe. Alsof ik werd geëlectrocuteerd. Van het ene op het andere moment stond ik stil. Doorlopen ging niet.
Daar lag hij dus. Mijn grens.
Niet op het moment dat ik dacht dat het pijn deed. Niet toen ik begon te twijfelen. Niet toen optie twee aantrekkelijk klonk.
Maar op het moment dat mijn lichaam de opdracht simpelweg niet meer kon uitvoeren.

Nieuwe opdracht
Ik rekte voorzichtig mijn benen en probeerde weer te lopen. Dat lukte zowaar. Niet hard: 5.30 per kilometer. Sneller kon niet, want dan schoot de kramp er weer in.
Ik veranderde mijn doel: blijf hardlopen — als je dat nog zo mocht noemen. De ene voet voor de andere. Dan had ik mezelf niets te verwijten.
Ik finishte als vijfde overall en derde Nederlander. 8:34:16.
Niet gewonnen.
Maar ik had mijn antwoord.
In mijn wedstrijdverslag schreef ik:
In het verleden bleek mijn lichaam vaak sterker dan mijn geest. Vandaag bleek mijn geest sterker dan het lichaam. En daar kan ik goed mee leven.
Ik adviseer niemand om iedere week zo zijn grens op te zoeken. Goed trainen is meestal juist doseren. Racen ook. Maar af en toe mag je iets proberen waarvan je echt niet weet of het lukt. Waarbij falen een reële uitkomst is.
Want als je altijd stopt zodra je denkt dat je niet meer kunt, kom je nooit te weten of dat werkelijk je grens was.
Waar ligt jouw grens? En wanneer heb jij ’m voor het laatst echt opgezocht?

Het bericht Waar ligt jouw grens? verscheen eerst op TRIKIPEDIA.
