Faalangst bij sporters: als een training voelt als een examen

Eline Peterse over faalangst bij sporters

Wanneer werd je training eigenlijk een examen? Je ziet de training van morgen al in je hoofd voor je überhaupt je bed uit bent. Zes keer duizend meter. Een stevig tempo. Je weet nu al: dit wordt lastig. Misschien kun je hem beter verplaatsen. Of overslaan. En wat zeg je eigenlijk tegen je coach als je de voorgeschreven tijden niet haalt?

Voor sommige sporters begint de stress van een training al uren voordat de eerste kilometer is gelopen. Niet omdat ze geen zin hebben om te trainen, maar omdat de training voelt als een test. Een test die je kunt halen of falen.


Triathlon- en Hyroxcoach Eline Peterse kent dat gevoel. Vooral looptrainingen maakten haar vroeger zenuwachtig. Dat had onder meer te maken met een uitspraak van een trainer:

“Als je geen 40 minuten op de 10 kilometer loopt, hoor je niet in deze groep thuis.”

Voor Eline betekende dat dat een 10 kilometer niet meer alleen een wedstrijd of een training was. Het werd een soort graadmeter voor de vraag of ze wel goed genoeg was voor de groep.

“Ik werd daar nerveus van. De 6×1000-trainingen waren om de zoveel weken echt meetmomenten. Ik dacht: als ik daar niet dik onder de 4.00 minuten per kilometer loop, hoor ik niet in deze groep.”

De gevolgen gingen verder dan alleen spanning tijdens een intervaltraining. Eline begon losse 10-kilometerwedstrijden te vermijden.

“Ik deed wel 5 kilometerwedstrijden of een 10 kilometer in een olympische afstand, maar geen losse 10.”

Een training was daarmee ongemerkt iets anders geworden. Geen onderdeel van een proces, maar een moment waarop ze moest bewijzen dat ze erbij hoorde.

Maar ik ben niet zo snel als anderen

Jaren later staat Eline aan de andere kant. Als coach ziet ze hetzelfde mechanisme terug bij haar eigen atleten. Opvallend vaak begint het gesprek al met een soort disclaimer.

“Ja, maar ik ben niet zo snel als sommige anderen die jij coacht.”

Volgens Eline proberen sporters zichzelf daarmee alvast in te dekken. Door hun eigen niveau vooraf te benadrukken, temperen ze als het ware de verwachtingen van hun coach. Maar die onzekerheid is meestal helemaal niet nodig.

Eline coacht atleten met zeer verschillende doelen. Van een sporter die droomt van een WK-kwalificatie in Hyrox of triathlon tot iemand die vooral een halve marathon onder de twee uur wil lopen.

“Ik weet altijd precies waar ik ja tegen zeg als ik een coachtraject start.”

Een coach schrijft een training niet vanuit de verwachting dat iedere sporter dezelfde prestaties moet kunnen leveren. Een sporter met een doel van een halve marathon onder de twee uur hoeft niet dezelfde intervallen te lopen als iemand die voor een veel hoger prestatieniveau traint.

Toch voelt dat voor de sporter soms anders.

De training die je niet haalt

Wat gebeurt er wanneer de intervallen niet lukken? De eerste gedachte van veel sporters is niet: interessante informatie. Het is: Ik heb gefaald. En misschien nog erger: Ik heb mijn coach teleurgesteld.

Volgens Eline is dat een fundamenteel misverstand over de rol van een trainingsschema.

“Ze denken dat ik een training schrijf omdat ik verwacht dat zij dat kunnen. En als ze het niet halen, kunnen ze mijn verwachting niet waarmaken.”

Maar een coach kan juist bewust een training voorschrijven waarvan ze niet zeker weet of een atleet hem volledig gaat halen.

“Soms schrijf ik juist uitdagende trainingen. En als mensen die dan niet halen, geeft dat mij soms veel meer informatie dan wanneer ze het de hele tijd wel exact halen.”

Dat is misschien wel de grootste omkering in hoe we naar trainingen zouden kunnen kijken.

De training die mislukt, kan voor een coach soms interessanter zijn dan de training die perfect wordt uitgevoerd. Want waarom lukte het niet? Was de belasting te hoog? Ontbrak er herstel? Was de trainingsprikkel precies goed, maar lag de snelheid lager dan verwacht? Of is er structureel iets waar de atleet aan kan werken?

Een mislukte training is daarmee niet automatisch een mislukte training. Het kan een datapunt zijn. Een signaal. Een aanwijzing voor de volgende stap.

“Dan weet ik weer waar we extra aan moeten werken en welke richting ik op wil.”

Wanneer is een training geslaagd?

Daarmee komen we bij een ongemakkelijke vraag voor iedereen die gewend is zijn trainingen af te vinken: Wanneer is een training eigenlijk geslaagd?

Als alle tempo’s zijn gehaald? Als het gemiddelde wattage klopt? Als Garmin aan het einde een mooie grafiek laat zien?

Voor Eline ligt het antwoord ergens anders.

“Wanneer zijzelf tevreden zijn, lekker hebben getraind en wanneer zij zichzelf er goed bij voelen. Als iemand denkt: “Vandaag heeft weer bijgedragen aan een verbetering”, vind ik het geslaagd.”

Dat kan betekenen dat de voorgeschreven tijden zijn gehaald. Maar het kan ook betekenen dat ze juist niet zijn gehaald. Bijvoorbeeld wanneer iemand een zware werkdag achter de rug heeft en tijdens de training merkt: dit wordt hem vandaag niet. Dan kan het nog steeds een teken van vooruitgang zijn als die sporter durft af te wijken van het plan. Niet opgeven, maar aanpassen. Dat verschil is belangrijk.

De snelheid is niet altijd het doel

In trainingsschema’s staan vaak heel concrete cijfers. 4.30 per kilometer. 300 watt. Een bepaalde hartslagzone. Maar die cijfers zijn niet altijd het uiteindelijke doel van de training.

Neem een thresholdtraining. Het doel kan zijn om tien minuten rond een bepaalde intensiteit te trainen. De snelheid die daar op die dag uitkomt, is vervolgens de output.

“Ik hoop bepaalde trainingsdoelen te halen. Bijvoorbeeld tien minuten op threshold. Dan is het fijn als dat gelukt is qua intensiteit en de snelheid is dan louter een output.”

En die output kan per dag verschillen. Je lichaam is immers geen machine die iedere ochtend op exact dezelfde instellingen start. Stress, slaap, voeding, werk, herstel, weersomstandigheden, ondergrond en hormonale schommelingen kunnen allemaal invloed hebben op wat er die dag mogelijk is.

Toch vragen we ons horloge tijdens een training soms om een oordeel. Waarom loop ik vandaag geen 4.30?

Terwijl de betere vraag misschien is: Krijg ik vandaag de trainingsprikkel die ik nodig heb?

De vijftien minuten die veel kunnen vertellen

Hoe weet je dan of je moet doorzetten of je training moet aanpassen? Volgens Eline hoeft dat vaak niet ingewikkeld te zijn.

“Meestal voel je als atleet na vijftien minuten in een training wel of het hem vandaag wel of niet wordt.”

Dat betekent niet dat je na een paar zware minuten direct het schema aan de kant moet gooien. Een zware training hoort soms zwaar te voelen. Maar er is een verschil tussen dit is zwaar en mijn lichaam geeft vandaag aan dat dit niet gaat werken.

Als iemand een hectische dag of week heeft gehad, kan een eenmalig tegenvallende training prima verklaarbaar zijn. Dan hoeft er als coach niet meteen iets te veranderen. Maar wanneer een vergelijkbare training twee keer niet lukt, wordt het anders.

“Dan pas ik het plan direct aan.”

Niet de sporter moet zich dan afvragen waarom hij het niet kan. De coach moet zich afvragen waarom het schema niet aansluit. Dat is een belangrijk verschil.

Zijn we datarobots geworden?

En dan is er nog die andere coach die tegenwoordig bij iedere training aanwezig lijkt te zijn: het horloge. Garmin. Strava. TrainingPeaks. Hartslag. Tempo. Vermogen. Trainingsbelasting. Herstel.

Data heeft enorme voordelen. Eline gebruikt het zelf ook. Maar volgens haar schuilt er een gevaar in de manier waarop we ermee omgaan.

“We worden ook allemaal een soort datarobots.”

Want hoe meer we kunnen meten, hoe makkelijker het wordt om een training te beoordelen op basis van cijfers. Ons lichaam werkt alleen niet zo.

“Ons lichaam is een dynamisch systeem. Je kunt de data ernaast zetten, maar vooral om te monitoren of je gevoel ook klopt.”

Dat is een subtiel maar belangrijk verschil. Je horloge hoeft niet te bepalen hoe je je voelt. Je kunt juist achteraf kijken of de data bevestigt wat je tijdens de training al voelde.

Het ultieme doel

Misschien is het ultieme doel wel dat je horloge overbodig wordt. Voor Eline ligt daar uiteindelijk een soort ideaalbeeld.

“Mijn ideale atleet kan zichzelf zo goed aanvoelen dat alle apps niet meer nodig zijn.”

Niet omdat data slecht is. Integendeel. Maar omdat de meest waardevolle informatie uiteindelijk uit je eigen lichaam komt.

Dus wat doe je als je morgen een training in je schema ziet staan waar je nu al tegenop ziet? Eline heeft daar een opvallend eenvoudig advies voor.

“Voer hem lekker uit op gevoel. Doe je horloge desnoods niet om. Of plak je scherm af en ga gewoon voelen.”

Want misschien is dat wel wat we onderweg naar steeds betere sporters worden, vergeten zijn. Een training is geen examen. Je hoeft niet iedere keer te bewijzen dat je goed genoeg bent.

Soms is het belangrijkste wat je tijdens een training kunt leren niet hoe snel je hebt gelopen, maar wat je lichaam je probeerde te vertellen.

Het bericht Faalangst bij sporters: als een training voelt als een examen verscheen eerst op TRIKIPEDIA.