
Bert Flier schrijft voor Trikipedia over drie thema’s: Met het mes tussen de tanden | Nerd Talk | Tussen de oren

Het wedstrijdseizoen is in alle hevigheid losgebarsten. Na maanden trainen mag je dan eindelijk los. Raceday. De dag waarop je gaat ervaren wat al die trainingsuren hebben opgebracht.
Op een enkele uitzondering na gaan atleten vooraf rekenen. Aan de tijd waarvan je hoopt, vermoedt en stiekem droomt dat die op de klok staat wanneer je de finish passeert.
En ja, ook ik heb me vroeger suf gerekend over wat mogelijk was. Sterker nog, dat doe ik nog steeds. Maar wel in het besef dat een tijd het resultaat is van het proces van het racen. De tijd op de finish-klok is een optelsom van alles wat gaat zoals gepland. En van alles wat onderweg anders loopt.
Een tijd is dus geen plan. Een tijd is het gevolg van hoe je zwemt, fietst, loopt, eet, drinkt, denkt en reageert op wat de dag je geeft.
Niet altijd geef ik een atleet een raceplan mee. Soms merken we dat iemand naar een nieuw niveau is gegroeid en vooral de ruimte moet krijgen om dat te ervaren. Soms zit iemand te veel in zijn of haar hoofd en kan een strak plan juist beperkend werken. En soms is het gewoon goed om weer eens lekker ouderwets te knallen, risico te nemen en te zien waar het schip strandt.
Maar voor de meeste atleten is een raceplan juist een waardevol hulpmiddel.
Het doel van een raceplan is om een realistisch wedstrijdscenario op te stellen. Geen poging om de wedstrijd volledig dicht te timmeren of controle te houden over alles wat er gebeurt. Wel een manier om vooraf goed na te denken. Zodat je onderweg houvast hebt en beter kunt schakelen als de werkelijkheid anders blijkt dan het scenario op papier.
Zo’n raceplan begint al in de dagen vóór de wedstrijd. Hoe pas je je voeding aan? Welke trainingen doe je nog wel, en welke juist niet? Hoe zorg je ervoor dat je uitgerust aan de start staat? Met zoveel goesting dat je de straatstenen zou willen opvreten?
Daarna komt de wedstrijdochtend. Hoe doe je je warming-up? Want ‘koud starten’, zoals ik nog steeds vaak zie gebeuren, is echt niet ideaal. In welk vak ga je staan bij een rolling start? Mijn tip: één vak sneller dan je realistisch gezien gaat zwemmen. Dan heb je kans op een paar snelle voeten en hoef je niet vanaf de eerste meters vooral bezig te zijn met inhalen.
Op de fiets gaat het over je wattages en je hartslagcap. Wat doe je op het vlakke? Welke vermogens rijd je bergop? Hoeveel koolhydraten, vocht en zout wil je per uur binnenkrijgen? En misschien nog belangrijker: wat is je plan B als dat niet lukt?

Ook materiaalpech hoort in een raceplan thuis. Wat doe je als je lek rijdt?
Tijdens groepstrainingen laat ik atleten weleens expres ‘lek rijden’. Verplicht de binnenband van dat altijd lastige achterwiel vervangen. Je wilt niet weten wat voor gestumper je dan soms ziet. Zo’n training heeft ooit de Ironman van een coachee gered. Tijdens het virtuele lekrij-moment kwam hij erachter dat hij geen ventielverlenger bij zich had. Daardoor had hij zijn lekke band in de race dus niet kunnen fixen. En was hij bijna blij dat hij in de race lek reed, zodat hij die dure ventielverlenger kon gebruiken.
Ook maagproblemen verdienen een plek in je plan. Wat doe je als je maag protesteert? Praktische tip: neem een tijdje geen voeding, drink alleen water en geef je maag de kans om de inhoud te verdunnen.
En dan het lopen. Hoe hard ga je weg? Welke cap zet je op snelheid en hartslag? Wat is je voedingsplan? En wat is plan B als ergens onderweg je plan in de soep loopt?
Dat raceplan maak ik trouwens zelden zelf. Standaard is het een huiswerkopdracht voor de atleet. Daarmee zie ik of iemand zichzelf kent. Of een atleet een realistisch beeld heeft van wat-ie kan.
Het maken van zo’n plan helpt bovendien bij het visualiseren van de wedstrijd. Je leeft je alvast in. Je krijgt voorpret. En je ontwikkelt een gepast niveau van respect voor de uitdaging die je aangaat.
Daarmee ontstaat ook eigenaarschap. Het is immers jouw race, en dus ook jouw plan.
Dat plan bespreken we vervolgens samen. Om de puntjes op de i te zetten. Klopt het scenario? Is het haalbaar? Zijn er blinde vlekken? Heb je nagedacht over de momenten waarop het lastig kan worden?
Na de race geeft het plan een mooi aanknopingspunt om te evalueren. Hoe realistisch was het plan? Wat ging goed? Wat minder? Wat heb je geleerd? En wat neem je mee naar de volgende keer?
Wat ik ook meegeef tijdens de raceplan-bespreking: een race wordt pas echt een race op het moment dat je het plan moet loslaten.
Simpelweg omdat je niet alles kunt voorzien. Fysieke problemen. Negatieve gedachten die je uit de bocht dreigen te laten vliegen. Een ligstuur dat loskomt. Een plotselinge omslag van het weer waardoor je onderkoeld van de fiets komt. Een maag die niet doet wat jij had bedacht. Benen die op kilometer zoveel ineens een ander verhaal vertellen dan tijdens de trainingen.
Dán is de uitdaging: incasseren, accepteren en improviseren.
Dat zijn de momenten waarop je kunt laten zien hoe je kiest om met onverwachte situaties om te gaan. En ja, ik weet wat ik schrijf. Dat ‘kiezen’ voelt vaak helemaal niet als kiezen. Emoties kunnen je overspoelen en met je op de loop gaan. Ik spreek uit ervaring.
En toch leer je, als je dit een paar keer hebt meegemaakt, dat je zelfs in vervelende situaties invloed hebt op je reactie. Misschien niet op wat er gebeurt. Maar wel op je volgende stap. Je volgende gedachte. Je volgende keuze.
Da’s ook het mooie van racen.
Je maakt een plan om houvast te hebben. Maar soms begint de echte race pas op het moment dat je dat plan moet loslaten.
__________________________________________
Wil je sparren over jouw raceplan? Stuur gerust een mail naar [email protected]. Of kom langs in mijn coachruimte in Utrecht.
Het bericht Een raceplan maak je om het te kunnen loslaten verscheen eerst op TRIKIPEDIA.
